Wikia


Sangamon klasse
SA
Type Escort carrier
Land van herkomst Verenigde Staten
Bouwfirma Federal Shipbuilding and Drydock Company : Sangamon & Suwannee, Sun Shipbuilding & Drydock Co. : Chenango & Santee
Ontwerp
Productie (kiel / te water / in dienst) - / - / 1942-1947
Gebruiker(s) US Navy
Specificatie: USS Sagamon (CVE-26)

Afmetingen (lengte/breedte/diepgang) 168,7 m. / 34,8 m. / 9,32 m.
Bepantsering geen
Bewapening 2x 127-mm luchtafweergeschut, 4x2 40-mm Bofors luchtafweergeschut, 12x Oerlikon 20-mm luchtdoelmitrailleurs, later nog 20-mm en 40-mm geschut toegevoegd.
Vliegtuigen 12x Grumman F4F Wildcat gevechtsvliegtuigen, 9x Douglas SBD Dauntless duikbommenwerpers, 9x Grumman TBF Avenger torpedobommenwerpers
Voortstuwing 2x stoomturbines met transmissie die 10.070 kW (23.500 as-pk) leverden aan twee schroefassen
Waterverplaatsing 10.500 standaard / 23.875 volbeladen.
Snelheid/Bereik 18 knp /
Bemanning 860-1080
Einde Alle vier de schepen werden in 1959-1960 verkocht als schroot.

Aan het ombouwen van schepen tot escort carriers werd in 1942 de hoogste prioriteit gegeven. Het tempo waarmee deze nuttige vliegdekschepen in dienst kwamen, werd beperkt door het geringe aantal rompen dat beschikbaar was. Vier nieuwe olietankers van de US Navy, de Sangamon (AO-28, Santee (AO-29), Chenango (AO-31) en de Suwannee (AO-33) werden in januari 1942 uit de vaart genomenen herbestemd tot AVG's(vliegtuig-escortevaartuig). Ze werden onmiddellijk ontdaan van hun opbouw en leidingen en in zes tot acht maanden omgebouwd. Ondanks het feit dat het om omgebouwde vaartuigen ging, was de Sangamon klasse succesvoller dan eerdere escort carriers die kleiner en langzamer waren. Omdat de schepen als tankers ontworpen waren, zaten de motoren ver achterin. De kleine schoorsteen veroorzaakte weinig hinder voor de vliegtuigen. Het was mogelijk om twee katapulten te installeren, de tweede werd pas in 1944 geplaatst. Enkele grote openingen in de zijwanden zorgden voor goede ventilatie in de hangars.

De Santee (AVG-29), later CVE-29, kwam als eerste in dienst op 24 augustus 1942, één dag later gevolgd door de Sangamon (CVE-26). De Suwannee (CVE-27) kwam op 24 september in de vaart en vijf dagen later de Chenango (CVE-28). Wegens het acute tekort aan vliegdekschepen eind 1942 en begin 1943 en omdat deze schepen snel waren en veel vliegtuigen konden vervoeren, werden ze vaker dan andere CVE's in de hoofdvloot ingezet. Vaak opereerden ze gezamelijk.

Alle vier schepen ondersteunden de landingen in Noord-Afrika in oktober en november 1942 en kregen daarna de Stille Oceaan als operatiegebied waar ze samenwerkten met CarDiv 22 in het zuidelijke deel van de oceaan. De Santee keerde in maart 1943 terug naar de Atlantische Oceaan, waar ze ten zuiden van de Azoren en voor de kust van Brazilië met een hunter-killer groep op jacht ging naar onderzeeërs. In februari 1944 voegde de Santee zich weer bij zijn klassegenoten in de Stille Oceaan toen het 'island hopping' op gang begon te komen.

Alle vier schepen namen deel aan de Slag in de Leyte Golf. Zij maakten als de 'Taffy One' groep deel uit van Task Group 77.4. Op 25 oktober werd de Santee zwaar beschadigd door een kamikaze-aanval, en kort daarop door een torpedo van onderzeeër I-56. Maar het schip bleef behouden. Daarna sloeg nog een kamikaze in op de Suwannee, nadat hij de Sangamon gepist had. Desondanks waren alle drie de schepen operationeel in de lente van 1945. Op 4 mei 1945 werd de Sangamon zwaar beschadigd door een kamikaze nabij Okinawa. Er waren 11doden, 21 zwaargewonden en 25 vermisten te betreuren, maar ook dit schip overleefde de aanval.