Wikia


Royal Sovereign klasse
EI

HMS Empress of India was uitgerust met barbettes

Type Pre-dreadnought
Land van herkomst Groot-Brittannië
Bouwfirma Portsmouth Dockyard ; Pembroke Dockyard ; Chatham Dockyard ; J & G Thomson, Clydebank ; Palmers, Jarrow ; Cammell Laird, Birkenhead
Ontwerp Sir William White
Productie (kiel / te water / in dienst) 1889-1890 / 1891-1992 / 1892-1894
Gebruiker(s) Royal Navy
Specificatie: Empress of India

Afmetingen (lengte/breedte/diepgang) 115,97 m. / 22,90 m. / 8,40 m.
Bepantsering Romp: 356–457 mm / Schotten: 356–406 mm / Barbettes: 279–432 mm / Kazematten: 152 mm / Commandotoren: 356 mm / Dekken: 64–76 mm
Bewapening 4x BL 13.5 inch naval gun Mk I kanons, 10x QF 6 inch /40 marinekanons, 10x QF 6-pounder Nordenfelt kanons, 12x QF 3-pounder Hotchkiss kanons, 7x 450-mm torpedobuizen.
Vliegtuigen Geen
Voortstuwing 8x Scotch marine boilers, 2x triple-expansie stoommachines van 8200 kW naar 2 schroeven.
Waterverplaatsing 14.150 ton standaard, 16.680 ton volbeladen.
Snelheid/Bereik 16,5 knp / 4720 zeemijlen
Bemanning 692 (als vlaggenschip)
Einde

In een tijd waarin de bouw van een slagschip door de Royal Dockyards gemiddeld vijf jaar kostte, werd HMS Royal Sovereign, het naamgevende schip van de Royal Sovereign klasse, in een recordtijd van slechts 32 maanden voltooid. De reden daarvan was dat de zojuist benoemde schout-bij-nacht 'Jackie' Fisher, die vlak na de tewaterlating van het schip in februari 1891 was benoemd tot Admiral Superintendent, persoonlijk toezag op de voltooiing ervan in mei 1892. De andere zes schepen van de klasse waren de Empress of India, Ramillies, Repulse, Resolution, Revenge en Royal Oak. De schepen werden gebouwd op particuliere werven en Royal Dockyards en in 1891-1892 te water gelaten. Ze werden in 1893-1894 in gebruik genomen.

De Royal Sovereigns werden aanbesteed onder de Naval Defence Act van 1889 en kunnen in het algemeen beschouwd worden als een overgangsklasse van het slagschip met gering vrijboord naar het pre-dreadnought slagschip met een hoofdbewapening in torens.

Sinds het verdwijnen van de zeiltuigage bij de Royal Navy werd het vrijboord zeer laag gehouden om de kwetsbaarheid voor vuur over korte afstanden te verminderen en het te bepantseren gedeelte te minimaliseren. Dit geringe vrijboord deed een ernstige aanslag op de zeevaardigheid, en de Royal Sovereigns werden dan ook voorzien van een compleet extra dek. De nieuw aangestelde Director of Naval Construction, Sir William White, zag toe op de voltooiing van de schepen. De klasse kan worden beschouwd als een verbeterde versie van de Admiral klasse van slagschepen met barbettes. Dankzij het grotere vrijboord stond de hoofdbatterij van vier 13,5-inch kanons, die werden geselecteerd omdat er geen geschikte 12-inch kanons beschikbaar waren, op een betere hoogte dan die van hun voorgangers. Omdat het schip echter topzwaar dreigde te worden stonden de kanons in barbettes zonder dak, die uiteraard veel lichter waren dan volledige gepantserde torens.

Elk tweetal kanons stond opgesteld op een draaitafel met een lage gepantserde ring eromheen. Beide barbettes stonden zover mogelijk uiteen en boden ruimte aan een aanzienlijke secundaire bewapening. De tien 6-inch kanons stonden op twee niveaus om een zo groot mogelijk bereik te bestrijken en de kwetsbaarheid voor voltreffers te verminderen. De kanons waren ban het nieuwe snelvuurtype en moesten een effectief verdedigingsmiddel tegen de groeiende bedreiging door torpedoboten vormen. Vier van deze wapens waren geïnstalleerd in kazematten op het hoofddek. De andere zes stonden achter splinterschilden op het bovendek. De onderste kanons stonden te dicht boven de waterlijn en de bovenste waren te kwetsbaar. Daarom werden de bovenste kazematten in 1902-1904 gepantserd.

Een groter vrijboord maakte uiteraard een grotere flankbepantsering noodzakelijk. De Royal Sovereigns waren in dat opzicht enigszins superieur aan vergelijkbare schepen van buitenlandse marines door de toepassing van een nieuwe samengestelde stalen bepantsering. De klasse bestond uit zeven schepen. Een achtste schip, HMS Hood, week sterk af. Het was het laatste slagschip met gering vrijboord om de installatie van gepantserde hoofdtorens mogelijk te maken.

De schepen hadden een rompvorm die een lange en trage rolbeweging moest garanderen met het oog op hun stabiliteit als geschutsplatform. Ze bleken daarvoor echter toch te veel te rollen en daarom werden ze met kimkielen uitgerust. Dat kwam de zeewaardigheid zeer ten goede en de schepen konden ook bij zware zeegang hoge snelheden aanhouden.

Alle schepen waren aanvankelijk ingedeeld bij de Channel en Mediterranean Fleets, maar opereerden vanaf 1902 in de thuiswateren. De Empress of India, die aanvankelijk Renown zou heten, werd in 1913 voor de kust van Portland tot zinken gebracht bij vlootoefeningen, en de andere zes werden in 1914 uit de vaart genomen. De Revenge werd van de slopers gered toen de oorlog uitbrak en werd herdoopt in Redoubtable om de naam vrij te maken voor een nieuw slagschip. Het schip werd ingedeeld bij Dover Command en kreeg nieuwe 12-inch kanons. De romp werd verdikt om beter bestand te zijn tegen torpedotreffers en om het schip asymmetrisch te kunnen ballasten om de dracht van de kanons te vergroten. Tot de komst van de nieuwe monitors werd het schip met zijn dracht van 14.600 m. gebruikt om Duitse stellingen in België te beschieten. De Redoubtable werd meteen na de oorlog gesloopt.