Voor een soldaat op wacht in de loopgraven van het Westelijke front was een lichtflits aan de horizon geen prettig gezicht,want die duidde op de grootste concentratie van artilleriestukken uit de geschiedenis.

Een Italiaans 300-mm kanon op de weg bij Sandrigo in Noord-Italië in juni 1918. De Italianen stelden veel vertrouwen in zulke wapens, maar ze waren te zwaar en te statisch om teruggetrokken te kunnen worden toen de vijand doorbrak.

Het kenmerkende beeld van het slagveld in WO I was dat van rijen met geweren bewapende soldaten die een regen van granaten tegemoet stormden en door machinegeweervuur neergemaaid werden. Hoe dodelijk ze ook waren, de machinegeweren waren niet verantwoordelijk voor het grootste aantal slachtoffers; meer soldaten aan het Westelijk front werden door artillerie gedood dan door welk ander wapen ook.

Artillerie speelde een rol in het verloop van WO I. De regen van granaten afgevuurd door snel vurende veldartillerie dwong de legers van 1914 in de loopgraven dekking te zoeken,waar ze tot 1918 bleven.

Ontwikkeling van het geschut

Tijdens WO I waren veldkanonnen het talrijkste type artillerie in gebruik. Men had lichte mobiele kanonnen ontwikkeld en geproduceerd voor de beweeglijke oorlogvoering die in de 19e eeuw de norm was geweest, toen grote legers over de slagvelden van Europa uitzwermden, met vuursteun van veldartillerie. Het karakter van de oorlogvoering in WO I stond het normale mobiele gebruik van dergelijke artillerie niet toe. Na een korte periode van mobiele oorlogvoering in 1914 dwong de vuurkracht van de nieuwe snel vurende kanonnen de infanterie dekking te zoeken in de loopgraven. Hoewel de veldartillerie de patstelling in de loopgraven had veroorzaakt,beperkten de loopgraven vervolgens hun rol. Veldartillerie kon geen aarden wallen vernietigen. Veldslagen werden gewonnen of verloren met zware artillerie. Slechts de zware artillerie had de verwoestende kracht om de aarden of betonnen bescherming te vernietigen waarop beide zijden aan het front waren gaan vertrouwen.

Krachtige wapens

Tegen 1914 beschikten de meeste Europese landen over een groot aantal kanonnen met steeds grotere kalibers en vernietigingskracht. Die waren nodig om de forten te verwoesten waarmee alle grote machten hun grensgebieden tegen invallen beschermden. Diezelfde zware artillerie was even effectief in de vreemde omstandigheden van het Westelijke front, waar de loopgraven hun eigen aparte methode van oorlogvoering oplegden. De 'Grote Oorlog' was het hoogte punt van de zware artillerie. In de statische oorlog die het Westelijke front kenmerkte, konden de zware kanonnen en houwitsers nauwkeurig geplaatst worden omdat er weinig beweging in de stellingen was, en de aanvoer van zware projectielen was gegarandeerd zolang de vereiste logistieke machine functioneerde. Ze hadden geen gebrek aan doelwitten, aangezien beide zijden zich ingroeven om de storm die dagelijks losbarstte te overleven. De enige manier om zulke ingegraven stellingen te penetreren, was met zware granaten, en die zware granaten konden alleen door zware artillerie afgevuurd worden. De houwitser was de meest effectieve vorm van zware artillerie: door zijn hoge elevatie kwamen de granaten bijna verticaal omlaag. Alleen houwitsers konden de vijandelijke loopgraven bestoken, en alleen de zware houwitsers hadden enig effect. Het geschut varieerde in grootte van de Britse 152-mm houwitser, via 203-mm en 234-mm tot de gigantische Duitse 42-cm M-Gerät,ook wel 'Dikke Bertha' genaamd.

Sleutelrol

Het zware geschut speelde een sleutelrol in de offensieven aan het Westelijke front; voorafgaand aan een aanval werden er in de loop van een week wel een miljoen granaten afgevuurd. Het spervuur was zo intens dat het in Londen, meer dan 240 km ver, te horen was. Zodra de infanterie aanviel, schakelde de artillerie over op verschuivende salvo's die vlak voor de oprukkende infanterie neerkwamen. Hoewel lichtere veldartillerie nauwelijks effectief was tegen een ingegraven vijand, hielden alle legers zulke wapens in grote aantallen aan. Ze konden zelfs tegen de lichtste verdedigingswerken weinig uitrichten, vooral in de eerste fase van het conflict toen hun munitie vooral uit granaatkartetsen bestond, voor gebruik tegen vijanden in het open veld. Kartetsen konden noch loopgraven penetreren noch prikkeldraad opruimen, en werden geleidelijk vervangen door hoog explosieve ladingen.

Veldartillerie

Maar commandanten aan beide zijden verwachtten uiteindelijk een soort strategische doorbraak naar mobiele oorlogvoering. Mocht dat ooit gebeuren, dat zou de veldartillerie weer een rol gaan spelen en konden de statische en zware belegeringskanonnen achtergelaten worden. Het was ook makkelijker om lichtere artillerie te produceren; de productie van zware artilleriewapens kostte veel meer tijd en geld. Maar er waren gebieden waar mobiele artillerie een belangrijke rol speelde. Niet alle oorlogvoering in WO I speelde zich in de loopgraven af. In Rusland was de agressieve Duitse artillerietactiek een belangrijke factor in het bereiken van overwicht over de grote maar slecht uitgeruste Russische legers, terwijl de beweeglijke oorlogvoering zoals de militaire planners van voor 1914 zich die voorgesteld hadden in het Midden-Oosten en op de Balkan wel van de grond kwam. Daar kon de veldartillerie zijn natuurlijke rol spelen van het ondersteunen van andere legers in het veld. Maar het belangrijkste oorlogsgebied van WO I was het Westelijke front, en daar kon de verzamelde veldartillerie niets meer doen dan steun geven aan de echte killers, het zware geschut.

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.